Nachtvlinders als ecologische indicatoren in het Pijnven

20/12/2025

Wat een nachtvlinderonderzoek ons leert over natuurkwaliteit

Tijdens een uitzonderlijk nachtvlinderonderzoek in een afgesloten kernzone van Nationaal Park Bosland werden in één nacht maar liefst 144 soorten en 1.330 individuen vastgesteld. Van recordaantallen tot ernstig bedreigde heidesoorten: deze inventarisatie toont hoe cruciaal rust, structuur en habitatcontinuïteit zijn voor biodiversiteit en toekomstgericht beheer.

1. Inleiding
In het weekend van zaterdag 24 op zondag 25 mei 2025 voerde de Werkgroep Bladmineerders een uitgebreid nachtvlinderonderzoek uit in het Pijnven, binnen een afgesloten en normaal niet toegankelijke zone van Nationaal Park Bosland. Het onderzoek gebeurde met expliciete toelating en werd gecoördineerd door Steve Wullaert, samen met Zoë Vanstraelen en een team ervaren waarnemers: Koen Lock, Maarten Schurmans en  Marc Mangelschots. Vanwege het Nationaal Park waren Boswachter Eddy Ulenaers en Boslab aanwezig. 


2. Opzet en omstandigheden
Op zaterdagavond werden acht lichtvallen opgesteld, verspreid rond het Pijnven en langs de corridors richting het bospaviljoen. De weersomstandigheden waren zwaar bewolkt met regelmatige motregen; de temperatuur daalde van circa 14,7 °C naar 12,9 °C.


3. Resultaten
In één nacht werden 144 soorten nachtvlinders vastgesteld, goed voor 1.330 individuen. Zowel micro- als macronachtvlinders waren ruim vertegenwoordigd.


4. Opmerkelijke waarnemingen en ecologische duiding
De aanwezigheid van de grijze heideuil (Violaphotia molothina), een ernstig bedreigde soort in Vlaanderen, toont aan dat de heide in het Pijnven niet enkel landschappelijk aanwezig is, maar ook ecologisch functioneert. Deze soort is sterk gebonden aan goed ontwikkelde struikhei en verdraagt weinig verstoring, wat wijst op habitatcontinuïteit en rust in delen van het gebied.

Bijzonder opvallend was de vangst van 41 exemplaren van de gevlekte pijluil (Pachetra sagittigera), een recordaantal voor Vlaanderen. Deze soort, die als kwetsbaar wordt beschouwd, is gebonden aan open gras- en heidelandschappen. De hoge aantallen wijzen op een open landschap met voldoende voedsel, structuur en ecologische draagkracht.

De waarneming van de spaansgroene zomervlinder (Jodis putata), een bedreigde en lokaal voorkomende soort, wijst op de aanwezigheid van structuurrijke bosranden en waardevolle overgangen tussen bos en open terrein.

Ook de geoogde langsprietmot (Nemophora ochsenheimerella) werd vastgesteld. Deze soort is sterk afhankelijk van een intacte strooisellaag en wijst op natuurlijke bodemprocessen en een beperkte verstoring van het bosbodemmilieu.

Hoewel het merendeel van de sparren in en rond het Pijnven de voorbije jaren verdwenen is ten gevolge van aantasting door letterzetter (Ips typographus), wijst de waarneming van meerdere exemplaren van de witte sparspanner (Thera vetustata) erop dat lokaal nog functionele sparren aanwezig zijn, of dat recent nog geschikte sparrenhabitat beschikbaar was. Deze resterende bomen of kleine groepen kunnen fungeren als microrefugia voor sparrengebonden nachtvlinders en onderstrepen dat zelfs beperkte restanten ecologisch relevant kunnen zijn binnen een verder sterk uitgedund sparrenbestand.
Hoewel in het gebied nog hemlock (Tsuga spp.) en douglasspar (Pseudotsuga menziesii) aanwezig zijn, is het weinig waarschijnlijk dat deze soorten een volwaardige vervangende waardplant vormen voor de witte sparspanner. Hemlock wordt niet beschouwd als geschikte waardplant, terwijl douglasspar hoogstens in uitzonderlijke gevallen een beperkte rol kan spelen. De waarneming van deze soort wijst daarom vooral op (restanten van) fijnspar (Picea) of mogelijk zilverspar (Abies alba).
Vanuit beheerperspectief pleit dit ervoor om resterende sparren of sparrenrestanten niet automatisch te verwijderen, aangezien deze van disproportioneel belang kunnen zijn voor gespecialiseerde, zeldzame soorten en bijdragen aan de ecologische veerkracht van het gebied.
De sterke binding van de witte sparspanner (Thera vetustata) aan sparren (Picea spp.), en het belang van kleine habitatrestanten als microrefugia voor gespecialiseerde insectensoorten, is goed gedocumenteerd in de literatuur (o.a. Hausmann, 2001; Waring et al., 2017; Thomas et al., 2011).


5. Ecologische betekenis van grote aantallen
Naast de aanwezigheid van zeldzame en bedreigde soorten vallen ook de zeer hoge aantallen van enkele meer algemene nachtvlindersoorten op. Soorten zoals het geel beertje (Eilema sororcula), de gerimpelde spanner (Macaria liturata) en de dennenspinner (Dendrolimus pini) werden in uitzonderlijk hoge aantallen aangetroffen. Hoewel deze soorten op zich niet zeldzaam zijn, is hun massale aanwezigheid ecologisch betekenisvol. Grote aantallen wijzen op een hoge habitatkwaliteit, voldoende voedselbeschikbaarheid en een stabiel microklimaat, en duiden erop dat het gebied een grote ecologische draagkracht heeft voor nachtvlinders.

Dergelijke aantallen ontstaan doorgaans enkel in landschappen waar habitatstructuur, rust en continuïteit samenkomen. Ze bevestigen dat het Pijnven niet alleen geschikt is voor gespecialiseerde of zeldzame soorten, maar ook functioneert als robuust ecosysteem waarin algemene soorten duurzame populaties kunnen opbouwen. Vanuit ecologisch oogpunt vormen deze hoge aantallen een belangrijk aanvullend signaal bij de interpretatie van soortenrijkdom alleen, en versterken ze het beeld van het Pijnven als een gebied met een goed functionerende nachtvlindergemeenschap.

6. Beheergerichte samenvatting
Het nachtvlinderonderzoek bevestigt dat het Pijnven een ecologisch kerngebied is binnen Nationaal Park Bosland, waar heide, open landschap en bos in onderlinge samenhang functioneren.

Voor meer en gedetailleerde info : zie bijgevoegd verslag van de Werkgroep Bladmineerders: